Increase font-size  Restore font-size  Decrease font-size  Print

 

A T E L I E R R E G L E M E N T 


1.    Algemene afspraken m.b.t. ateliergebruik


a.    Hou werkbanken proper door ze te reinigen na gebruik. Beschadig het blad niet door er nagels in te kloppen,
       er in te zagen  of te beitelen.
b.    Per bank is in een bureaulamp voorzien. Indien om reden van plaatsgebrek een lamp wordt verwijderd,
       leg die dan voorzichtig weg en plaats aan het einde van de les de lamp terug op haar oorspronkelijke plaats.
c.    Schroeven van bankvijzen en spanschroeven moet je geregeld smeren met paraffineolie.
d.    Laat gereedschappen voor gezamenlijk gebruik niet op je werkbank liggen maar berg ze op, op hun vaste plaats in de kast,
       zodra je je bewerking beëindigd hebt.
e.    Lijmborstels gaan veel langer mee als ze na gebruik uitgewassen worden met water (warme lijm met warm water) en zeep.
f.    Berg elektrische toestellen na gebruik op in de daartoe bestemde kast.
g.    Machinewerk met de tafelzaagmachine en de bovenfrees wordt uitgevoerd in de kleine zagerij.
h.    De persoonlijke gereedschapskoffertjes zijn geen opslagruimte voor allerlei restjes.
       Beitels en schaven blijven langer scherp als je ze met zorg wegbergt. Hou daarom je koffertje ordelijk en overzichtelijk.
i.    Hou tijdens het werk je werkplaats overzichtelijk: geen afval op de bank, geen overbodig gereedschap of koffers
       op de bank en leg je werkstukken of je instrument op een proper doek.
j.    Meerdaagse cursisten en cursisten die met het openbaar vervoer komen, kunnen over een opbergvak  beschikken
      om hun instrumenten in opbouw achter te laten in het Cmb. Alle anderen moeten hun materiaal meenemen naar huis.
k.    Na de les worden er geen onderdelen achtergelaten in het atelier. Opgespannen stukken worden desnoods opgeborgen
       in de opslagruimte, maar vermijd best lijmopstellingen aan het einde van de les.
l.    In plaats van tijdens het zagen, schrapen en schuren het stof weg te blazen of te vegen, gebruik je beter geregeld
      een stofzuiger: verschillende van de houtsoorten die wij gebruiken, zijn toxisch. Ook het stof van been en parelmoer is
      zéér ongezond en moet zo spoedig mogelijk worden verwijderd met de stofzuiger.
m.   Sorteer je afval in de daarvoor bestemde afvalbak: houtafval, zaagsel en restafval moeten gescheiden blijven.
n.    Ledig na élke lesdag de afvalbak(ken) met houtafval/zaagsel in de daarvoor bestemde plastic containers buiten.
o.    Koffiekopjes en ander af te wassen keukengerei horen thuis in de keuken (breng ze dus terug op het einde van de lesdag),
       net als leeggoed van de drankautomaat. Lege flessen neem je mee naar huis.


2.  Veiligheidsvoorschriften

a.    Geschikte werkuitrusting
•    Oor- en/of oogbeschermers
•    Lange haren moeten opgestoken of in een staart gedragen worden
•    Geen loshangende kledingstukken, lange riemen, juwelen of wijde mouwen
•    Schoenen met antislipzool

b.   Algemene veiligheidsregels
•    Elke bewerking met een machine moet gebeuren met de voorziene beschermingen.


•    Gebruik nooit gereedschap dat bot of beschadigd is. Zorg ervoor dat per bewerking het juiste snijgereedschap gebruikt
      wordt met de juiste snijsnelheid.

•    Zorg ervoor dat er nooit resthout op of rond de machines achterblijft want dat kan een gevaar vormen voor de gebruiker en
      omstaanders.

•    Gebruik altijd de stofafzuiging. Dat is niet alleen veiliger, maar ook gezonder aangezien verschillende houtsoorten in
      stofvorm schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. Het schaaf-, zaag- of freesresultaat zal ook merkelijk beter zijn,
      indien de houtspaanders worden afgezogen.

•    Na gebruik de machines reinigen en altijd de stofafzuiging in de zagerij uitzetten.

•    Bij twijfel of mankementen: je cursusbegeleider aanspreken.

•    Hang gehoorbeschermers, stoffer en blik na gebruik weer op de aangeduide plaatsen.

•    Het wisselen van snijgereedschap mag enkel gebeuren door personen die daarvoor de bevoegdheid hebben. Bij sommige machines is het nodig dat de bescherming verwijderd wordt voor het wisselen van snijgereedschap. Deze beschermingen moeten onmiddellijk na de wissel teruggeplaatst worden.
Wanneer snijgereedschap verwisseld wordt, moet de machine in een toestand zijn dat ze niet 'per ongeluk' kan worden aangeschakeld. Dat gebeurt door de stroomtoevoer uit te schakelen of door een noodstop in te drukken of de sleutelschakelaar op de nulstand te zetten en de sleutel te verwijderen.
Vóór het wisselen van snijgereedschap moet de machine volledig tot stilstand zijn gebracht. Dat mag nooit gebeuren met de handen. Dit gebeurt eerst visueel. Is dat niet voor 100% goed zichtbaar of betrouwbaar, dan moet dat  gebeuren met een resthout dat op dezelfde manier moet gehanteerd worden als een werkstuk. Ga ook nooit op het gehoor af, aangezien er dikwijls meerdere machines gelijktijdig in gebruik zijn. Zorg ervoor dat snijgereedschap dat maar sporadisch gebruikt wordt niet in de desbetreffende machine blijft zitten (bv. boren, frezen).

C    Kleine zagerij
A.    Kleine lintzaagmachines

1.    Schroeven van geleiders en andere onderdelen niet te vast zetten. Niets forceren (dat geldt trouwens voor alle machines)!

2.    Geen ronde stukken doorzagen, niet langs, niet dwars.

3.    Geen te kleine stukjes hout proberen te zagen met een machine: er bestaan ook nog handzagen die daarvoor beter geschikt
       zijn. Indien het toch om één of andere reden met een machine moet gebeuren, dan eerst hulpstukken maken om veilig te
       werken : geleiders en aanduwhoutjes.

4.    Geen harde kunststoffen verzagen.

5.    Het hout niet te snel en ook niet te traag aanvoeren bij machinaal zagen. Van een  te langzame aanvoersnelheid wordt het snijgereedschap sneller bot door wrijving en bestaat de kans dat het hout verbrandt. Bij te snel aanvoeren wordt de machinemotor te veel belast.

6.    Na gebruik de machine stilleggen en reinigen: houtafval in de houtbak, stof verwijderen met handvleugel en stofzuiger.
7.   
8.    Voordat je de lintzaagmachine aanzet, moet je de bovengeleiding zodanig instellen dat tussen het werkstuk en de
       bovengeleiding een minimum aan ruimte zit. Zo voorkom je dat tijdens het zagen het zaaglint hol geduwd wordt, wat een
       breuk van het zaaglint kan veroorzaken.

9.    Een langsgeleider werkt niet goed bij een lintzaagmachine omdat een slecht gezette zaag haar ‘eigen weg’ zoekt. Beter niet
       gebruiken dus, of een aangepaste geleider maken die afwijkingen kan opvangen. Als je geleiders gebruikt, zeker voor fijn
       werk, werk dan met een scherpe (nieuwe) zaag.

10.   De hoogte en de hardheid van het werkstuk bepalen de aanvoersnelheid.

11.   Geen kleine bochten maken met een breed zaaglint.

12.   Bij zagen van hoge stukken als de contourmal van een gitaar eventueel eerst een klein stuk van de buitenkant (dat later
        wegvalt) uitzagen (zonder forceren en met de juiste  snelheid)om aan de hand van de gemaakte zaagsnede een controle te
        doen: is de zaagsnede bruin of zwart (en dus verbrand) of is de zaagsnede niet perfect haaks, dan is de zaag te bot voor
        deze bewerking. Laat ze vervangen door een leraar dus!

13.    Wanneer je een smal werkstuk doorzaagt, gebruik dan op het einde een duwhout dat voldoende groot is om je werkstuk
         voorbij het zaaglint te duwen (tip: voorzie een duwhout vóór je begint te zagen).Zorg dat het duwhout op de tafel rust,
        zodat wanneer het duwhout het zaaglint raakt, je geen neerwaartse slag krijgt. Bij een voldoende breed werkstuk is een
        duwhout niet nodig.

14.    Wanneer je met de hand je werkstuk voorbij het zaaglint heb geduwd, trek je de handen terug met een wijde boog rond
         het zaaglint.

15.    Lange werkstukken moeten achter de lintzaagmachine worden ondersteund, hetzij door een rolsteun, hetzij door een
         bijstaander die het werkstuk aanneemt. De bijstaander trekt niet aan het werkstuk, hij ondersteunt alleen.

16.    Niet terugkomen met gedeeltelijk doorgezaagd stuk om bijvoorbeeld de zaagsnede te corrigeren. Beter de machine eerst
         stilleggen en dan voorzichtig het werkstuk doorheen de zaagsnede terughalen. Bij een draaiende lintzaagmachine voorkom
         je zo dat het zaaglint van de wielen wordt getrokken.

17.    Afvalstukjes verwijderen met een latje en niet met de handen.

B.    Figuurzaagmachine Hegner

1.    Alleen te gebruiken voor licht contourwerk.
2.    Gebruik het geschikte zaagje volgens het gebruikte materiaal: kunststof (sjabloonmateriaal) zaag je met fijngetand zaagje.
3.    Monteer de zaagjes met de tandjes naar beneden gericht.
4.    Zet de klemblokjes voor het zaagblad niet overdreven vast.
5.    Vooraleer te beginnen moet je spanning op de beugel zetten door aan de regelknop achteraan te draaien (na gebruik de spanning weer afhalen).
6.    Voor het uitzagen van gesloten figuren moet je de montageschroef bovenaan de beugel weer loszetten alvorens het zaagblad op spanning te brengen.
7.    Bij het uitzagen van open figuren mag je de montageschroef niet gebruiken (het klemblokje moet vrij kunnen schommelen).
8.    Aan de zijkant van de zaagtafel zit een houder waarin de zaagklemmetjes passen wanneer je het zaagje moet vervangen.

C.    Tafelzaagmachine Proxxon


1.    De machine moet worden vastgeklemd op een werkbank voor gebruik.
2.    De machine mag niet worden overbelast: ze is enkel geschikt voor nauwkeurig en fijn zaagwerk van dunne stukken hout.
3.    Trek de stekker uit bij het vervangen van het zaagblad.
4.    Kies het zaagblad in functie van het zaagwerk:
        a.    allerfijnste zaagje (=metaal- en kunststofzaagje) is alleen geschikt voor dwarszagen van kleine stukjes hout en voor
        het zagen van fineer
        b.    supercut zaagje is geschikt voor massief hout
        c.    Widia-zaagje is geschikt voor nauwkeurig zaagwerk in massief hout en plaatmateriaal
5.    Plaats altijd een spouwmesje bij normaal zaagwerk.
6.    Kleine stukjes niet afzagen met de dwarsgeleider, terwijl de afstand wordt geleid tegen de langsgeleider: de stukjes geraken
       zo opgesloten en vliegen beschadigd weg.
7.    Maak aangepaste zaaggeleiders: die hulpstukken geven oneindig veel mogelijkheden om nauwkeurig en efficiënt te werken op een veilige manier.
8.    Sluit altijd een stofzuiger aan en reinig na gebruik de machine ook binnenin.
9.    Bij zagen van lage stukjes hout in de lengte, het zaagblad niet te veel (=enkele mm) boven het hout laten uitsteken, om 'flapperen' van de zaag en dus onnauwkeurig werken te  vermijden.
10.    Bij het verzagen van andere materialen (bv. aluminium) een aangepaste zaag en ook de gepaste snelheid gebruiken.
11.    Bij fijn zaagwerk (met fijn zaagje) best een plaatje rond het zaagblad monteren dat rond het zaagblad aansluit, om te vermijden dat het hout breekt of in het gat naast het zaagblad wordt getrokken.


D.    Kolomboormachine

1.    Kies vooraf het juiste toerental. Een algemene regel is: hoe kleiner de diameter van de boor is, hoe hoger het toerental van de machine moet zijn.
2.    Geef bij het veranderen van de draaisnelheid, de riem voldoende spanning, om te voorkomen dat de riem zou 'slippen' waardoor de gewenste snelheid niet wordt gehaald.
3.    Laat geen sleutel op de boorkop zitten. Als de machine wordt aangezet, vliegt hij er met een flinke snelheid af (bv. in je gezicht).
4.    Laat geen boren op de machine zitten maar breng ze terug naar de plaats of het lokaal waar ze vandaan komen.
5.    Boor niet in de tafel: leg onder het werkstuk een hulpstuk, ook om uitsplintering aan de onderkant van je werkstuk tegen te gaan.
6.    Gebruik bij voorkeur de diepte-instelling. 

7.    Verwijder boorspaanders nooit door te blazen, maar doe dat steeds met een spatel of handborstel of met de stofzuiger.

8.    Tijdens het doorboren van metaal moet er om de paar seconden een onderbreking zijn, om de ontstane spaanders te breken. Zoniet worden die te lang en kunnen ze snel ronddraaiende 'messen' worden.

9.    Span het werkstuk bij voorkeur vast d.m.v. lijmklemmen of klem het in een klemblok.


E.    Cilinderschuurmachine Delta


1.    Opgelet voor het vervangen van de cilinder: de schroefdraad is linksdraaiend!  

2.    Bij het vervangen van de cilinder de bout niet meer dan nodig aandraaien. Bij te strak aandraaien komt de cilinder bol te
       staan en is haaks en recht werken onmogelijk.

3.    Leg altijd de gepaste rondingen in het vlak rond de cilinder.

4.    Zet niet te veel druk tegen de schuurrol en werk altijd met vloeiende bewegingen.


F.    Bovenfrees

1.    Controleer het volgende alvorens te starten:
   a.    staat de werktafel goed vast?
   b.    is het werkstuk goed vastgemaakt?
   c.    heb je geen loshangende kledij of sierraden die je kunnen hinderen?

2.    Leg de machine neer op de werkbank en plaats de geschikte frees in de spantang.
3.    Draai de frees vast met de juiste spansleutels (niet te hard aanspannen, dat maakt de spantang kapot!)
4.    Controleer:    
    a.    of het toestel goed en veilig in de houder bevestigd is
    b.    of de frees goed vast zit
    c.    of (eventueel) de geleider functioneel is en juist ingesteld staat
    d.    of de frees nog voldoende scherp is
    e.    of er in het werkstuk geen vreemde voorwerpen vastzitten (bijvoorbeeld nagels) die de frees kan raken        
5.    Sluit het toestel pas op het net aan na voorgaande controle.

6.    Respecteer tijdens het werken volgende afspraken:
    a.    start de machine en wacht tot het maximale toerental is bereikt
    b.    overbelast de bovenfrees niet, laat de frees zonder druk werken (bijvoorbeeld door in meerdere kleine stappen te frezen)
    c.    voer de frees met gelijkmatige druk door het werkstuk, probeer niet te overhaasten
    d.    te traag is ook niet goed, want dan verhit de frees en verdwijnt de scherpe snede
    e.    hou de handen weg van de frees
    f.    neem altijd een stabiele houding aan
    g.    overschat de capaciteit van de frees niet 

7.    Wanneer je klaar bent, eerst de stekker uit het stopcontact halen alvorens de frees te demonteren.







D.    Grote zagerij


      
OPGELET:  De grote zagerij is alleen toegankelijk en te gebruiken met een leerkracht als begeleider!

A.  Lintzaagmachine
1.    Voordat je de lintzaagmachine gebruikt, moet je de bovengeleiding zodanig instellen dat tussen het werkstuk en de bovengeleiding een minimum aan ruimte zit. Zo voorkom je dat tijdens het zagen het zaaglint hol geduwd wordt, wat een breuk van het zaaglint kan veroorzaken.

2.    Geleiders moet je aanpassen aan de dikte van het hout.

3.    Een langsgeleider werkt niet goed bij een lintzaagmachine omdat een slecht gezette zaag haar ‘eigen weg’ zoekt. Beter niet gebruiken dus, of een aangepaste geleider maken die afwijkingen kan opvangen. Als je geleiders gebruikt, zeker voor fijn werk, werk dan met een scherpe (nieuwe) zaag.

4.    De hoogte en de hardheid van het werkstuk bepalen de aanvoersnelheid.

5.    Geen kleine bochten maken met een breed zaaglint.

6.    Bij zagen van hoge stukken als de contourmal van een gitaar eventueel eerst een klein stuk van de buitenkant (dat later wegvalt) uitzagen (zonder forceren en met de juiste  snelheid)om aan de hand van de gemaakte zaagsnede een controle te doen: is de zaagsnede bruin of zwart (en dus verbrand) of is de zaagsnede niet perfect haaks, dan is de zaag te bot voor deze bewerking; laten vervangen door een leraar, dus!

7.    Wanneer je een smal werkstuk doorzaagt, gebruik dan op het einde een duwhout dat voldoende groot is om je werkstuk voorbij het zaaglint te duwen (tip: voorzie in een duwhout vóór je begint te zagen).
Zorg dat het duwhout op de tafel rust, zodat wanneer het duwhout het zaaglint raakt, je geen neerwaartse slag krijgt. Bij een voldoende breed werkstuk is een duwhout niet nodig.

8.    Wanneer je met de hand je werkstuk voorbij het zaaglint heb geduwd, trek je de handen terug met een wijde boog rond het zaaglint.


9.    Lange werkstukken moeten achter de lintzaagmachine worden ondersteund, hetzij door een rolsteun, hetzij door een bijstaander die het werkstuk aanneemt. De bijstaander trekt niet aan het werkstuk, hij ondersteunt alleen.

10.    Niet terugkomen met gedeeltelijk doorgezaagd stuk om bijvoorbeeld de zaagsnede te corrigeren. Beter de machine eerst stilleggen en dan voorzichtig het werkstuk doorheen de zaagsnede terughalen. Bij een draaiende lintzaagmachine voorkom je zo dat het zaaglint van de wielen wordt getrokken.

11.    Afvalstukjes verwijderen met een latje en niet met de handen.

B1. Vlakschaafmachine
1.    Laat altijd de beschermkap over de messen liggen, die is zo ontworpen dat ze ofwel naar links wordt geduwd bij het schaven tegen de haaksgeleider, ofwel naar omhoog tijdens het vlakschaven.
De lengte van het werkstuk mag niet minder zijn dan 300mm.

2.    Bij het schaven van een ruwe plank die bol staat, is het belangrijk dat de holle kant op de aanvoertafel ligt. Op deze manier ligt de plank het meest stabiel.
Op het moment dat je begint te schaven, mag je het werkstuk niet terugtrekken richting aanvoertafel. Wanneer de schaafmessen dan het hout zouden raken, is de kans groot dat die het werkstuk tegen een grote snelheid terugduwen richting aanvoertafel.

3.    Wanneer je tijdens het schaven de handen moet verplaatsen achter de beschermkap, moet je dit één voor één doen, zodat het werkstuk op de tafel gedrukt blijft. Doe je dat niet, dan is de kans groot dat de schaafmessen het werkstuk tegen een grote snelheid terugduwen richting aanvoertafel.

4.    Lange werkstukken moeten voor en achter de schaafmachine worden ondersteund, hetzij door 2 rolsteunen, hetzij door een bijstaander die het werkstuk aanneemt. De bijstaander trekt niet aan het werkstuk, hij ondersteunt enkel.

5.    Strijk de tafels geregeld in met een glijmiddel, bv. parafine, om het schaafwerk te vergemakkelijken. Strijk de tafels in wanneer de machine niet in werking is.


B2. Vandikteschaafmachine
6.    De lengte van het werkstuk mag niet minder zijn dan 300 mm.


7.    De aanvoerrollen kunnen ingesteld worden op 2 snelheden. De aanvoersnelheid wordt bepaald door
(a) de gewenste kwaliteit van het schaafwerk, (b) de hoeveelheid die in één keer wordt afgeschaafd, (c) de breedte van het werkstuk en (d) de houtsoort.


8.    De machine is voorzien van een aanvoerrol uit één stuk.
Dat heeft tot gevolg dat de werkstukken enkel achter elkaar en niet naast elkaar door de machine gevoerd mogen worden. Als dat toch gebeurt, dan is het mogelijk dat één van de werkstukken met een grote snelheid teruggeduwd wordt of dat het schaafresultaat ondermaats is, omdat één van de werkstukken niet goed op de ondertafel geduwd wordt.
Bij een gesegmenteerde aanvoerrol kunnen wel meerdere werkstukken naast elkaar doorgevoerd worden. 

9.    Schaaf eerst het werkstuk van breedte, om te voorkomen dat het werkstuk zou kantelen tijdens deze bewerking.

10.    Wanneer een werkstuk blokkeert, volstaat het meestal om de ondertafel wat te laten zakken, zodat er minder afgeschaafd wordt.
Is het probleem hiermee niet opgelost, dan moet je de machine uitschakelen, de ondertafel naar onder draaien en het werkstuk te verwijderen.

11.    Strijk de tafels geregeld in met een glijmiddel, bv. parafine, om het schaafwerk te vergemakkelijken. Strijk de tafels in wanneer de machine niet in werking is.



   
C. Cirkelzaagmachine

1.    Verzaag een werkstuk nooit 'los uit de hand', maar gebruik altijd de roltafel of de langsgeleider ('Los uit de hand' is een werkstuk met beide handen vasthouden, het werkstuk doorzagen met 1 hand links van het zaagblad en 1 hand rechts van het zaagblad).

2.    Wanneer een werkstuk afgekort wordt en de juiste maat ingesteld wordt met de langsgeleider, moet die teruggeschoven worden tot vóór het zaagblad, zodat het afgezaagde stuk vrijkomt en zich niet kan vastklemmen tussen het zaagblad en de langsgeleider.


3.    Bij het vanbreedtezagen van een werkstuk moet de langsgeleider +/- 200 mm voorbij de achterkant van het zaagblad geschoven worden, zodat het werkstuk een geleiding heeft tot voorbij het zaagblad.

4.    De hoogte van het zaagblad wordt bepaald door de dikte van het werkstuk.
Hou er rekening mee dat het zaagblad gemiddeld 30 mm boven het werkstuk uitsteekt, zodat je voldoende neerwaartse druk van het zaagblad krijgt tijdens het zagen.
Is dat te weinig, dan kan het zaagblad tijdens het zagen het werkstuk naar omhoog duwen.

5.    Het spouwmes voorkomt dat het hout opgeworpen wordt, wanneer het zich dicht trekt achter het zaagblad. Het biedt ook een extra bescherming.
Het spouwmes moet zo geplaatst worden dat er 3 mm tussen de tanden en het spouwmes zit en het 5 mm onder de bovenkant van zaagblad ligt.

6.    Kleine afgezaagde resten die tegen het zaagblad liggen, moeten onmiddellijk verwijderd worden. Zet hiervoor eerst de zaagmachine uit en laat het zaagblad tot stilstand komen.


7.    Om kleine werkstukken te verzagen, moet je steeds gebruik maken van een duwhout.

8.    Afhankelijk van welk zaagwerk je wil doen en wat het gewenste resultaat moet zijn, kan je kiezen tussen verschillende tandvormen, diameters en snijsnelheden.

9.    De langsgeleider kan worden gekanteld, zodat deze maar een hoogte heeft van +/- 15 mm. Wanneer het zaagblad gekanteld wordt, moet je erop toezien dat het zaagblad de langsgeleider niet raakt.
Kantel het zaagblad alleen wanneer het niet draait.


D. Vertikale freesmachine Topie
1.    De Topie is de machine waar de meeste ongelukken mee gebeuren! Sinds het gebruik van de losse spil verboden werd en de frezen met fijne verspaning hun intrede hebben gedaan in combinatie met de aandrijvers, is het tij gelukkig deels gekeerd.

2.    Gezien de machine is uitgerust met een geremde motor, is het zeer belangrijk dat bij het plaatsen van een freeskop de eerstvolgende ring diegene is met de blokkeerpen die in een gleuf van de freesas past.
Wordt dat niet gedaan, dan bestaat de kans dat tijdens het remmen door de middelpuntvliegende kracht de freeskop blijft doordraaien en zo de spanmoer losschroeft. Dat is niet ondenkbaar!

3.    Bij het plaatsen van de geleider moet je erop toezien dat de freesopening zo klein mogelijk is. Let er wel op dat de freesmessen de geleiders niet raken.
Controleer dat door de freesas ter hoogte van de spanmoer manueel te verdraaien.


4.    Bij het plaatsen van de aanvoerder moet de freeskop tussen de twee drukrollen zitten. De aanvoerder moet schuin geplaatst worden t.o.v. de geleider: aan de invoerzijde +/- 10 mm meer opening.

5.    De drukrollen moeten 5 tot 7 mm lager zitten dan de dikte van het werkstuk.

6.    Tracht de freesmessen zodanig in te stellen dat het desbetreffende freeswerk langs de onderzijde van het werkstuk gebeurt. Dat verhoogt de veiligheid.

7.    Bij het ontdubbelen van een werkstuk d.m.v. een zaagblad mag de aanvoerder niet gebruikt worden, omdat die de zaagsnede zal dichtduwen, tenzij de aanvoerder kan gekanteld worden en zo druk kan uitoefenen in de richting van de geleider.
Gebruik anders de beveiliging met de voorgevormde houten blokken op veerstaal.

8.    Bij het frezen van gebogen stukken tegen een tafelring of een asring, moet je altijd de beschermer gebruiken die daarvoor werd ontwikkeld.
Dat kan in combinatie met de aanvoerder gebeuren.


9.    Zorg ervoor dat het werkstuk ofwel onder de aanvoerder zit ofwel tegen een vast punt, voordat de frees het werkstuk raakt.

10.    Voor invalwerk moet je altijd een stopblok plaatsen, om te voorkomen dat de frees zich zet in het hout dat moet blijven staan.
Een eindblok is ook steeds aan te raden, omdat je niet altijd goed kan zien waar het freeswerk moet stoppen.

11.    Voordat je gaat zagen of frezen, controleer altijd of de geleider en/of de aanvoerder vast staan én of de freesas niet geblokkeerd is en vrij kan draaien in de afzuigkap.
De meeste frezen en zagen kunnen gebruikt worden bij een toerental van 6000 t/min.
Het is dan ook eerder uitzonderlijk dat het toerental moet aangepast worden.


E. Draaibank
1.    Zorg ervoor dat beide centerpunten diep genoeg in het hout zitten.

2.    De ruimte tussen de beitelsteun en het werkstuk moet minimaal zijn.


3.    De hoogte van de beitelsteun zit rond de hoogte van de centerpunten, dit kan licht variëren door het soort beitel dat gebruikt wordt.


4.    De draaisnelheid van het werkstuk wordt bepaald door de diameter van het werkstuk
(zie tabel op riemendeksel).


5.    Geef, bij het veranderen van de draaisnelheid, de riem voldoende spanning om te voorkomen dat de riem zou 'slippen', waardoor de gewenste snelheid niet wordt gehaald.
Zorg ervoor dat je de guts bij het ruw afdraaien achteraan stevig vasthoudt en eventueel tegen je zijkant aandrukt.
Vooral bij het ruw afdraaien, moet je de guts licht van jou wegdraaien, zodat de houtspaanders niet in het gelaat terechtkomen.

6.    De klemkop kan met of zonder meeloopcenter gebruikt worden, afhankelijk van het soort draaiwerk en de grootte van het werkstuk.
Let er vooral tijdens het gebruik van de klemkop op dat je geen wijde mouwen draagt. Door de werkwijze met de klemkop is het immers niet ondenkbaar dat de mouwen achter een klem blijven haken.




NL  FR  EN  DE  IT  ES
Laatst aangepast op: 31/08/2016 © Cmb Puurs - Belgium

 
 
Webdesign Dynamic Arts (Gent, Oost-Vlaanderen)